De vier evangeliën – Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes – vormen het hart van het Nieuwe Testament. Ze geven ons het leven, de woorden, de wonderen, het lijden, de dood en de opstanding van Jezus Christus door. Maar wie waren de mensen die deze kostbare geschriften hebben opgeschreven? Hoe weten we dat juist deze vier mannen de auteurs zijn? En hoe betrouwbaar zijn hun verslagen?
In dit artikel onderzoeken we het auteurschap van de vier evangeliën, ooggetuigenverslagen die een zorgvuldige overdracht van de boodschap van Jezus zijn.
Tot aan de 18e eeuw twijfelde niemand serieus aan het traditionele auteurschap van de evangeliën. Matteüs schreef Matteüs, Marcus schreef Marcus, enzovoort. Maar met de opkomst van de Verlichting begonnen veel theologen en filosofen te twijfelen aan oude overleveringen. Men ging er steeds vaker van uit dat de evangeliën pas vele tientallen jaren na Jezus’ dood zijn geschreven door anonieme auteurs, waarbij men ervan uitging dat de teksten vol fouten en legendarische toevoegingen zaten.
Toch is deze sceptische houding niet houdbaar gebleken. In de afgelopen decennia is er een hernieuwde waardering ontstaan voor de betrouwbaarheid van de evangeliën én voor de traditionele auteurs. Archeologische vondsten, hernieuwde tekstanalyses en een serieuze herwaardering van vroege kerkelijke bronnen wijzen erop dat de evangeliën niet zomaar door onbekenden zijn geschreven, maar door mensen die dicht bij Jezus stonden – of bij degenen die Hem persoonlijk kenden.
Matteüs – de tollenaar en ooggetuige
Matteüs was een Joodse tollenaar toen Jezus hem riep om Hem te volgen (Matteüs 9:9). Dat hij gekozen zou worden als auteur van één van de vier evangeliën is opmerkelijk: tollenaars werden veracht. Als iemand eeuwen later een evangelie had willen toeschrijven aan een apostel om het geloofwaardiger te maken, dan zou men eerder voor een gerespecteerde figuur zoals Petrus of Andreas hebben gekozen. Het feit dat de kerk altijd heeft volgehouden dat dit evangelie door Matteüs is geschreven, getuigt juist van authenticiteit.
Bewijzen uit de vroege kerkgeschiedenis:
- Rond 120-130 na Christus schreef Papias: “Matteüs heeft de goddelijke uitspraken in de Hebreeuwse taal samengesteld en iemand anders heeft ze zo goed mogelijk geïnterpreteerd.”
- Irenaeus (ca. 180): “Matteüs bracht ook een geschreven evangelie aan de Joden uit, in hun eigen dialect.”
Het Matteüsevangelie vertoont dan ook veel Joodse kenmerken, bijvoorbeeld de nadruk op het vervullen van profetieën uit het Oude Testament en een specifieke focus op de wet van Mozes.
Datering: ca. 50-60 n.Chr.
Argumenten voor vroege datering:
- Joods karakter van het evangelie:
- Veel verwijzingen naar het Oude Testament en de Joodse wet (Torah).
- Gebruikt typisch Joodse uitdrukkingen en structuren.
- Past goed bij een tijd vóór de verwoesting van de tempel (70 n.Chr.), toen het Jodendom nog in klassieke vorm bestond.
- Veel verwijzingen naar het Oude Testament en de Joodse wet (Torah).
- Geen vermelding van de verwoesting van de tempel in de verleden tijd:
- In Matteüs 24 voorspelt Jezus de verwoesting van de tempel, maar deze wordt niet als reeds gebeurd beschreven – wat opmerkelijk zou zijn als het evangelie ná 70 n.Chr. was geschreven.
- In Matteüs 24 voorspelt Jezus de verwoesting van de tempel, maar deze wordt niet als reeds gebeurd beschreven – wat opmerkelijk zou zijn als het evangelie ná 70 n.Chr. was geschreven.
- Getuigenis van Papias (begin 2e eeuw):
- Matteüs zou “de uitspraken van Jezus in de Hebreeuwse taal hebben samengesteld.” Dit wijst op een vroege, Aramees-Joodse versie van het evangelie, mogelijk al in de jaren 40 of 50.
- Matteüs zou “de uitspraken van Jezus in de Hebreeuwse taal hebben samengesteld.” Dit wijst op een vroege, Aramees-Joodse versie van het evangelie, mogelijk al in de jaren 40 of 50.
- Gebruik door andere schrijvers:
- Sommige conservatieve geleerden stellen dat Marcus en Lucas mogelijk gebruik hebben gemaakt van Matteüs, wat zou wijzen op een nog eerdere datering.
Marcus – de evangelist met een directe lijn naar Petrus
Marcus, ook wel Johannes Marcus genoemd, was geen directe discipel van Jezus, maar werd op jonge leeftijd onderdeel van de eerste christelijke gemeenschap. Hij was een metgezel van Paulus (Handelingen 12:25; 13:5) en later ook van Petrus. Volgens de vroegchristelijke overlevering schreef Marcus zijn evangelie op basis van de prediking van Petrus.
Vroegkerkelijke getuigen:
- Papias (ca. 120-130): “Marcus, die de vertolker van Petrus geworden was, schreef nauwkeurig datgene op wat hij zich herinnerde.”
- Irenaeus (ca. 180): “Marcus, de vertolker van Petrus, schreef het evangelie.”
- Clemens van Alexandrië (rond 195): “Marcus schreef alles op wat Petrus vertelde.”
Het Marcus-evangelie is korter dan de andere evangeliën, maar zeer krachtig en levendig. Veel Bijbelwetenschappers zien het als het oudste evangelie, dat in Rome werd geschreven voor een niet-Joods publiek.
Een interessant detail is dat alleen in dit evangelie de vlucht van een jongeman in Getsemane wordt beschreven (Marcus 14:51-52). Mogelijk gaat het hier om Marcus zelf.
Datering: ca. 45-55 n.Chr.
Argumenten voor vroege datering:
- Ooggetuigenverslag van Petrus:
- Marcus was volgens de kerkvaders de “vertolker van Petrus.” Aangezien Petrus in de jaren 60 werd gemarteld (volgens de traditie in 64 n.Chr.), zou Marcus zijn verslag eerder moeten hebben opgeschreven.
- Marcus was volgens de kerkvaders de “vertolker van Petrus.” Aangezien Petrus in de jaren 60 werd gemarteld (volgens de traditie in 64 n.Chr.), zou Marcus zijn verslag eerder moeten hebben opgeschreven.
- Geen verwijzing naar de dood van Petrus of Paulus:
- Hun sterfdatum (ca. 64-67 n.Chr.) ontbreekt volledig, wat vreemd zou zijn als het evangelie ná hun marteldood geschreven was.
- Hun sterfdatum (ca. 64-67 n.Chr.) ontbreekt volledig, wat vreemd zou zijn als het evangelie ná hun marteldood geschreven was.
- Eenvoudige, ruwe stijl:
- De stijl is levendig, direct en niet theologisch uitgewerkt, wat duidt op een vroege fase in de kerkgeschiedenis.
- De stijl is levendig, direct en niet theologisch uitgewerkt, wat duidt op een vroege fase in de kerkgeschiedenis.
- Woordgebruik en structuur suggereren vroege overlevering:
- Marcus gebruikt veel Griekse leenwoorden uit het Aramees en bevat veel korte, actiegerichte zinnen die typisch zijn voor vroege mondelinge overlevering.
Lucas – de arts en geschiedschrijver
Lucas was een arts (Kolossenzen 4:14), en de enige niet-Joodse auteur van het Nieuwe Testament. Hij schreef niet alleen het evangelie dat zijn naam draagt, maar ook het boek Handelingen. Lucas was een metgezel van Paulus en reisde met hem mee op zijn zendingsreizen.
Hij begint zijn evangelie met deze woorden:
“Aangezien velen getracht hebben een verslag op te stellen van de dingen die onder ons volkomen zekerheid hebben gekregen […] heb ook ik besloten alles van voren af aan nauwkeurig na te gaan en het in ordelijke vorm voor u op te schrijven” (Lucas 1:1-3).
Lucas geeft een zorgvuldig geredigeerd verslag, vol historische, geografische en sociale details die door moderne archeologie worden bevestigd.
Ondersteuning uit de vroege kerk:
- Irenaeus: “Lucas, de metgezel van Paulus, schreef het evangelie in een boek.”
- Muratorische Canon (ca. 170): “Het derde boek van het evangelie: naar Lucas. Deze Lucas was een geneesheer.”
Zijn nauwkeurigheid maakt hem tot een betrouwbare geschiedschrijver, wat ook blijkt uit de exacte verwijzingen naar Romeinse stadhouders, keizers, en lokale gebruiken.
Datering: ca. 58-63 n.Chr.
Argumenten voor vroege datering:
- Lucas schreef Handelingen als vervolg:
- In Handelingen eindigt het verhaal met Paulus in huisarrest in Rome (Handelingen 28), zonder vermelding van zijn proces of dood. Dit suggereert dat het boek Handelingen (en dus ook het evangelie) is geschreven vóór Paulus’ dood, ca. 64 n.Chr.
- In Handelingen eindigt het verhaal met Paulus in huisarrest in Rome (Handelingen 28), zonder vermelding van zijn proces of dood. Dit suggereert dat het boek Handelingen (en dus ook het evangelie) is geschreven vóór Paulus’ dood, ca. 64 n.Chr.
- Geen verwijzing naar de verwoesting van de tempel (70 n.Chr.):
- Net als bij Matteüs voorspelt Jezus in Lucas 21 de verwoesting, maar zonder dat deze al als historisch feit genoemd wordt.
- Net als bij Matteüs voorspelt Jezus in Lucas 21 de verwoesting, maar zonder dat deze al als historisch feit genoemd wordt.
- Historische details zijn accuraat:
- Lucas noemt vele stadhouders, keizers en lokale gewoonten die historisch kloppen – iets wat moeilijker zou zijn als het pas tientallen jaren later was opgeschreven.
- Lucas noemt vele stadhouders, keizers en lokale gewoonten die historisch kloppen – iets wat moeilijker zou zijn als het pas tientallen jaren later was opgeschreven.
- Lucas noemt eerdere pogingen tot beschrijving (Lucas 1:1):
- Dit suggereert dat Lucas toegang had tot reeds bestaande bronnen, mogelijk inclusief Marcus of een vroege versie van Matteüs – wat erop wijst dat zijn werk na Marcus kwam, maar nog vóór Handelingen voltooid werd.
Johannes – de geliefde discipel
Johannes, de zoon van Zebedeüs, was een van de twaalf discipelen en stond bekend als “de discipel die Jezus liefhad”. Hij was zeer nauw betrokken bij Jezus’ leven, met name in de laatste uren vóór Zijn dood. Hij was de enige mannelijke discipel die bij het kruis aanwezig was.
Getuigenissen uit de vroege kerk:
- Irenaeus: “Naderhand heeft Johannes, de discipel van de Heer, die ook aan zijn boezem had gelegen, zelf een evangelie gepubliceerd gedurende zijn verblijf in Efeze in Azië.”
- Muratorische Canon: “Het vierde evangelie is van Johannes, een van de discipelen.”
Het Johannes-evangelie verschilt van de andere drie (de ‘synoptische evangeliën’) in stijl en inhoud. Het is theologisch diepgaand en bevat lange toespraken van Jezus. De schrijver lijkt een ooggetuige te zijn, die niet alleen gebeurtenissen beschrijft, maar ook de betekenis ervan overdenkt.
Datering: ca. 80-95 n.Chr. (maar sommigen bepleiten 60-70 n.Chr.)
Argumenten voor relatief vroege of midden-late datering:
- Ooggetuigenverslag:
- Johannes noemt zichzelf een directe getuige (Joh. 19:35; 21:24). Hij was de jongste discipel en zou lang hebben geleefd (mogelijk tot ca. 100 n.Chr.).
- Johannes noemt zichzelf een directe getuige (Joh. 19:35; 21:24). Hij was de jongste discipel en zou lang hebben geleefd (mogelijk tot ca. 100 n.Chr.).
- Kennis van pre-70 Jeruzalem:
- Johannes geeft nauwkeurige details over de topografie van Jeruzalem, het tempelcomplex en Joodse gebruiken, wat erop duidt dat hij vóór of vlak na de verwoesting schreef.
- Johannes geeft nauwkeurige details over de topografie van Jeruzalem, het tempelcomplex en Joodse gebruiken, wat erop duidt dat hij vóór of vlak na de verwoesting schreef.
- Geen directe verwijzing naar de tempelverwoesting:
- Net als in de andere evangeliën wordt de ondergang van de tempel voorspeld (Joh. 2:19), maar niet als reeds voltooid beschreven.
- Net als in de andere evangeliën wordt de ondergang van de tempel voorspeld (Joh. 2:19), maar niet als reeds voltooid beschreven.
- Vroege kerkelijke bronnen bevestigen late, maar apostolische oorsprong:
- Irenaeus (ca. 180 n.Chr.) stelt dat Johannes zijn evangelie schreef in Efeze, “aan het eind van zijn leven.”
- Irenaeus (ca. 180 n.Chr.) stelt dat Johannes zijn evangelie schreef in Efeze, “aan het eind van zijn leven.”
Sommige conservatieve geleerden bepleiten zelfs een datering vóór 70 n.Chr. vanwege het ontbreken van de verwoesting van de tempel, maar de meesten houden het bij 80-95 n.Chr. vanwege Johannes’ hoge leeftijd en de theologische diepgang.
Een getuigenis dat standhoudt
De traditionele toeschrijvingen van de evangeliën aan Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes worden ondersteund door:
- Vroege en consistente kerkelijke traditie (Papias, Irenaeus, Clemens van Alexandrië, Tertullianus).
- Geen alternatieve auteursnamen of serieuze discussies in de vroege kerk over wie de schrijvers zouden zijn.
- Interne aanwijzingen (zoals schrijfstijl, culturele kennis, ooggetuigenverslagen).
- Archeologische en historische bevestiging van vele details uit de evangeliën.
De evangeliën zijn niet willekeurig ontstaan, maar zorgvuldig en onder leiding van de Heilige Geest doorgegeven. De schrijvers waren ooggetuigen of nauw verbonden met ooggetuigen (zoals Lucas met Paulus, Marcus met Petrus). In tegenstelling tot de Koran – die pas later werd verzameld en bewerkt onder kalief Uthman – zijn de evangeliën al vroeg in de geschiedenis als authentiek en gezaghebbend herkend.
Getuigen met een prijs
De evangelisten werden geen rijke of beroemde mannen door hun geschriften. Integendeel: ze betaalden vaak een hoge prijs voor hun getuigenis.
- Matteüs werd volgens de overlevering met een speer gedood in Ethiopië.
- Marcus verkondigde het evangelie in Egypte.
- Lucas stierf als martelaar in Griekenland.
- Johannes werd verbannen naar het eiland Patmos, waar hij later het boek Openbaring schreef.
Hun leven getuigt van de oprechtheid en betrouwbaarheid van hun boodschap.
De evangeliën zijn geschreven door mensen die Jezus persoonlijk kenden of zeer nauw verbonden waren met de eerste generatie discipelen. De vroege kerk wist wie de schrijvers waren, en dit getuigenis is door de eeuwen heen zorgvuldig bewaard gebleven. Moderne twijfel over het auteurschap is vooral het gevolg van filosofische scepsis, niet van harde feiten.
De vier evangeliën zijn niet alleen betrouwbaar als historische documenten – ze zijn geïnspireerd door de Heilige Geest (2 Timoteüs 3:16) en geven ons een helder en krachtig beeld van Jezus Christus, de Zoon van God.
