Waarom schiep Allah de mens als de meeste naar de hel gaan?

Een van de moeilijkste vragen binnen de islamitische theologie betreft het probleem van het eeuwige lot van de mens: Als Allah almachtig en alwetend is, waarom schiep Hij dan miljarden mensen die uiteindelijk niet moslim zullen zijn en volgens de islamitische leer voor eeuwig in de hel terechtkomen? Deze vraag raakt aan de kern van goddelijke gerechtigheid, liefde en het doel van de schepping. Deze islamitische doctrine roept ernstige vragen op over de aard van God, genade, vrije wil, en de verhouding tussen rechtvaardigheid en liefde.

De Islamitische Leer over Verdoemenis

In de traditionele islamitische leer is de verlossing exclusief gekoppeld aan het geloof in de eenheid van Allah en het profeetschap van Mohammed. De Koran stelt bijvoorbeeld:

“Voorwaar, wie een ander geloof dan de islam zoekt, het zal niet van hem worden geaccepteerd, en hij zal in het Hiernamaals bij de verliezers zijn.”
(Surah Al-Imran 3:85)

En ook:

“Zij die niet geloven onder de Mensen van het Boek en de veelgodenaanbidders zullen in het Vuur van de Hel zijn, daarin verblijvend voor eeuwig.”
(Surah Al-Bayyina 98:6)

Deze verzen worden in veel islamitische interpretaties verstaan als een directe veroordeling van joden, christenen, hindoes, atheïsten en alle anderen die niet de islam aanhangen. Volgens het soennitisch orthodoxe denken zullen de meeste mensen — aangezien zij geen moslims zijn — dus eindigen in de hel.

Een God die Schiep voor Verdoemenis?

De centrale vraag is dan: Waarom zou Allah überhaupt mensen scheppen waarvan hij van tevoren weet (en sommigen zeggen zelfs voorbeschikt) dat ze nooit de islam zullen aanvaarden en dus voor eeuwig in het vuur zullen branden?

Volgens sommige islamitische geleerden is dit een zaak van goddelijke soevereiniteit en rechtvaardigheid. Allah doet wat Hij wil. Hij is niemand verantwoording verschuldigd. Maar vanuit christelijk perspectief wringt hier iets diepgaand. In de Bijbel is God weliswaar heilig en rechtvaardig, maar Hij is ook liefde (1 Johannes 4:8). Zijn wens is dat “alle mensen behouden worden en tot kennis van de waarheid komen” (1 Timoteüs 2:4).

Vanuit dat perspectief lijkt de islamitische voorstelling van Allah meer op een absolute monarch dan op een liefhebbende Vader.

Het Probleem van de Goddelijke Wil en Voorbeschikking

In de islam speelt het concept van qadar (goddelijke voorbeschikking) een grote rol. Vele geleerden, waaronder al-Ash’ari, betogen dat Allah alles heeft voorbeschikt — inclusief wie gelooft en wie niet. Dat leidt tot een moreel probleem: als Allah al van tevoren bepaalt wie verloren gaat, hoe kan Hij hen dan verantwoordelijk houden voor hun ongeloof?

Christenen worstelen ook met de spanning tussen vrije wil en soevereiniteit, maar binnen het christendom worden beiden benadrukt. Bovendien is er in de christelijke theologie een breder concept van genade, waarin Gods liefde verder reikt dan de grenzen van een religieuze identiteit.

In plaats van mensen te scheppen voor een voorbestemd eeuwig lijden, leert het christendom dat “God de wereld zo liefhad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft” (Johannes 3:16). Er is dus een universele uitnodiging, en genade wordt als een echt aanbod gepresenteerd aan iedereen.

De Liefde van God en de Waarde van de Mens

Een ander fundamenteel verschil betreft de menswaardigheid en de liefde van God. In de Bijbel lezen we dat de mens “naar Gods beeld” is geschapen (Genesis 1:27). Dat impliceert dat elke mens een intrinsieke waarde en waardigheid bezit. Jezus zelf heeft zijn leven gegeven uit liefde voor zondaars. Hij at met tollenaars, hoeren en heidenen — mensen die volgens religieuze normen als ‘verloren’ golden, maar in Christus genade vonden.

De islam kent geen vergelijkbare leer van een God die zélf lijdt uit liefde voor Zijn schepping. Allah blijft onaantastbaar verheven, en hoewel hij ‘barmhartig’ wordt genoemd (Ar-Rahman, Ar-Rahim), uit zich die barmhartigheid niet in het dragen van menselijke schuld. Er is in de islam geen kruis, geen verlossing door plaatsvervangend lijden. Vergeving gebeurt op basis van werken, niet op basis van het offer van een Redder.

Vanuit christelijk perspectief roept dit ernstige vragen op: Hoe kan een God die zichzelf “de Barmhartige” noemt, het merendeel van zijn schepping bestemd hebben voor eeuwige pijn zonder hoop op redding?

Een God van Liefde of van Willekeur?

Vanuit christelijk perspectief roept het islamitische beeld van Allah als Schepper van miljarden mensen die Hij op voorhand weet te verdoemen, ernstige morele en theologische vragen op. In plaats van een Vader die wil dat niemand verloren gaat, lijkt Allah op een soevereine heerser die vooral gehoorzaamheid eist en straf uitdeelt aan wie hij daar toevallig voor uitkiest.

De christelijke God daarentegen openbaart zich in Jezus Christus als een Redder, niet als een rechter alleen. Hij komt naar de mens toe, draagt diens zonde, en roept iedereen — jood, heiden, moslim, atheïst — tot zich met de woorden:

“Kom naar Mij toe, allen die vermoeid en belast zijn, en Ik zal u rust geven.” (Mattheüs 11:28)

Daarom stellen christenen de vraag: Welke God verdient werkelijk aanbidding — de God die mensen schept om hen te veroordelen, of de God die sterft om hen te redden?

Scroll naar boven