Hoe is de Koran ontstaan?

Op de manier waarop de Koran tot stand is gekomen bestond tot voor kort eigenlijk slechts 1 antwoord. Dit was het antwoord van de klassieke islamitische visie. Er bestonden wel variaties op, maar grofweg volgden de meeste mensen deze uitleg. Recente ontwikkelingen schetsen echter een heel ander beeld van het ontstaan. Hierdoor vallen bepaalde moeilijkere tekstgedeelten ineens beter op hun plaats. Op is de plek van Mohammed en de Koran in de hele geschiedenis een stuk logischer. 

De klassieke islamitische visie op koran‑ontstaan 

a. Openbaring en mondelinge traditie

Volgens de traditionele islam kwam de Koran tussen ca. 610 en 632 na Christus tot stand via openbaring aan Mohammed, overgebracht door de engel Gabriël. Deze werd in het Arabisch geopenbaard, eerst mondeling en deels uitgeschreven op palmbladeren, schouderbladen van kamelen en andere materialen.

b. Verzameling na Mohammeds dood

Na Mohammeds overlijden in 632 riep kalief Abū Bakr zijn gezagvoerder Zayd ibn Thābit op om de verspreide losse flarden samen te voegen tot één schriftbeeld (𝑚𝑢ṣḥaf). Later, rond 650, gaf kalief ʿUthmān opdracht om één gecanoniseerde versie te creëren, geschreven in de Quraysh‑dialect en gedistribueerd naar alle grote steden. Andere varianten werden verbrand om verdeeldheid te voorkomen. Uit de context van dit gebeuren is duidelijk dat Uthman zich zorgen maakte om de grote verschillen in de verschillende versies van de Koran.
We weten deze versie van het verhaal uit islamitische bronnen uit de 8e eeuw, zeker zo’n 150 jaar na het sterven van Mohammed. Opvallend genoeg is het in de jaren daarvoor heel stil als het gaat om Mohammed zelf, maar ook om een openbaring in boekvorm zoals de Koran.

Problemen in het standaard verhaal

a. Meerdere Koran versies in omloop vóór en ná ʿUthmān
  • Er waren niet alleen mondelinge vormen, maar ook handschriften in omloop (Codex van Ibn Mas‘ūd, Codex van Ubayy ibn Ka‘b, enz.) die soms varianten hadden in soera’s en lezing.
  • ʿUthmān liet deze verbranden, maar er bleven andere lezingen, vooral in Kufa, tot ver in de 2e eeuw h. j. bestaan.
  • In de Hadith van Bukhari lijkt er van vijf verschillende tradities één standaard verhaal gemaak te zijn. Uit de islamitische teksten blijkt dat ook Abu Bakr, Umar en Ali pogingen hebben gedaan om van alle losse handschriften en verschillende versies van de Koran één standaard geheel te maken. Ook volgens Soennitische bronnen bestond er een Koran versie van Ali. Volgens Sjiieten was dit echter de oorspronkelijke versie van de Koran en was deze langer. Hij zou o.a. ingekort zijn omdat er oorspronkelijk duidelijk in de Koran stond dat Ali de opvolger van Mohammed moest zijn. De eerste drie kaliefen zouden de tekst gecorrumpeerd hebben om Ali tegen te werken.  
  • Andere versies van het standaardiseringsverhaal van Uthman geven details die niet lijken te kloppen met het verhaal van Bukhari. Zo worden er concreet vier versies bij naam genoemd die toegeschreven worden aan vroege volgers van Mohammed:
    • Ubayy b. Ka’b (zijn versie van de Koran was in gebruik in Syrië)
    • Abd Allah ibn Mas’ud (zijn versie van de Koran was in gebruik in Kufa)
    • Abu Musa al-Ash ‘ari (zijn versie van de Koran was in gebruik in Basra)
    • Miqdad b. al-Aswad (zijn versie van de Koran was in gebruik in Hims)
  • We komen nergens in de islamitische bronnen tegen dat Uthman de opdracht van Allah of Mohammed had gekregen om tot standaardisering over te gaan. Waarom zou zijn versie superieur zijn aan die van andere vroege volgelingen van Mohammed? 
  • Een opvallend feit uit de geschiedenis van de Islam. In het boek Geschiedenis van Medina van Ibn Shabba vinden we informatie die Bukhari niet doorgeeft. Zo blijkt dat Umar niet zozeer betrokken was bij de initiële compilatie van de Koran, maar dat hij de autoriteit van bestaande versies probeerde vast te stellen. 
  • Uthman was helemaal niet in de positief om één standaard tekst voor de Koran af te dwingen, daarvoor was hij te impopulair in grote delen van het grote islamitische rijk. 
  • Tijdens het bewind van kalief ʿAbd‑al‑Malik (685–705) werden opnieuw codices verzameld en vernietigd door Hajjāj ibn Yusuf – wat aantoont dat er ruim 150 jaar na het sterven van Mohammed nog geen definitieve versie van de Koran bestond. De werkwijze van standaardisering onder ‘Abd al-Malik lijkt (verdacht?) veel op het proces zoals dat onder Uthman gegaan zou zijn.
  • Er waren meerdere Soera’s in circulatie als aparte bronnen. Het gaat dan om “De Koe (2)”, “De Vrouwen (4)” en “De Familie van Imran (3)”. Uit bronnen blijkt dat in ieder geval De Koe nog als apart document in circulatie was in het begin van de 8e eeuw, ten tijde van Abd al-Malik toen, volgens de traditionele lezing de Koran allang gestandaardiseerd zou zijn. 

Conclusie: De tekstontwikkeling van de Koran was nog niet klaar in de tijd van ʿUthmān, maar omvatte een proces van tientallen jaren, wellicht eeuwen. De versie van Uthman lijkt alleen regionaal, in de Hijaz regio, verspreid te zijn geweest.

b. Aramese woorden in de Koran

Hoewel de Koran zichzelf presenteert als een boek in “duidelijk Arabisch” (bijv. Soera 12:2, 16:103), bevatten talloze verzen woorden die hun oorsprong vinden in andere talen, met name het Aramees en Syrisch, talen die wijdverspreid waren in het Nabije Oosten vóór en tijdens de opkomst van de islam.

Voorbeelden van niet-Arabische (Aramese/Syrische) leenwoorden in de Koran:

  • Injīl (انجيل – evangelie) → uit het Syrisch awangeliyon
  • Furqān (فرقان – onderscheidingsregel) → verwant aan het Aramese purqana (verlossing)
  • Ṣawm (صوم – vasten) → ook gebruikt in Aramees ṣawmā
  • Malakūt (ملكوت – koninkrijk) → Aramees: malkuta
  • Sijjīn (سجين – boek van de slechten) → mogelijk verwant aan Syrisch/Aramees šǝgīn, een gevangenis

Als Arabisch werkelijk een volmaakte, zelfstandige taal zou zijn voor de openbaring (zoals veel moslims geloven), waarom dan zo veel afhankelijke leenwoorden? De aanwezigheid van Aramese termen wijst erop dat:

  • De Koran gevormd werd in een meertalige, multiculturele context, waar religieuze en literaire termen uit andere talen normaal waren. Die context bestond alleen niet in Mekka of Medina. Wel in het rijk onder kalief abd-al Malik.
  • De taal van de Koran niet puur klassiek Arabisch is, maar een hybride vorm met veel invloeden, vooral uit het Syrisch‑christelijke idioom.
  • De claim van een “zuiver Arabische, goddelijk perfecte” openbaring moeilijk vol te houden is in het licht van deze linguïstische feiten.
c. Christelijke gemeenschappen in de Hijaz

De Koran verwijst naar “mensen van het Boek” in de Hijaz (Jemen, Mekka, Medina) als directe gesprekspartners. Maar historisch gezien:

  • Er is nauwelijks bewijs dat er substantiële, georganiseerde joodse of christelijke gemeenschappen aanwezig waren in de 7e-eeuwse Hijaz. Archeologisch en epigrafisch materiaal is schaars .
  • Veel contextuele passages uit de Koran lijken eerder gericht op latere betrokkenheid van christelijke handelsreizigers of legers, niet op gevestigde gemeenschappen.
  • De erkenning van joden en christenen kan dan ook beter begrepen worden als retorisch-polemisch. Met andere woorden, met terugwerkende kracht moest er een argument bedacht worden tegen christenen. Die onder abd-al Malik in de tekst van de Koran verwerkt werden, onder zijn bewind was er namelijk veel interactie met joden en vooral christenen.
  • Dat de ontstaansgeschiedenis van (een deel van) de Koran helemaal niet in Mekka gezocht moet worden, maar ergens anders blijkt ook uit de topografische omschrijving van Mekka, die klopt niet. Ook het feit dat de Qibla (de gebedsrichting) oorspronkelijk helemaal niet naar Mekka verwees is opvallend. Het is inmiddels redelijk bekend dat de oorspronkelijke gebedsrichting Jeruzalem was, maar na 706 wordt dit veranderd. Alleen de gebedsrichting is dan wel zuidelijker dan Jeruzalem, maar toch ook noordelijker dan Mekka. Wellicht richting Bagdad? Pas later krijgt Mekka de plaats die het vandaag de dag inneemt binnen de Islam.
d. De Rotskoepel

De Rotskoepel in Jeruzalem werd rond 691 na Christus gebouwd door Abd al-Malik. Het werd gezien als de grote triomf van de Islam over het Jodendom en met name het Christendom. Op de Rotskoepel staan islamitische teksten, deels Koranisch materiaal en veel teksten gaan over Jezus. Opvallend genoeg gaat niets over de nacht van de Mi’raj, de zogenaamde hemelreis van Mohammed, De inscripties lijken op verzen uit de Koran, maar zijn toch anders verwoord. Ook op munten die uit die tijd zijn opgegraven met opschriften uit de Koran blijkt dat die verschillen van daadwerkelijke verzen uit de Koran. 

Dit sluit aan bij het gegeven dat Mohammed vrijwel ontbreekt in de eerste vijftig jaar van de Islam. Er wordt niet naar hem of zijn woorden gewezen als een autoriteit. De kaliefen zijn ook niet zozeer de opvolgers van Mohammed, maar de vertegenwoordigers van Allah. De kaliefen van de Oemayyaden worden ook als superieur gezien ten opzichte van Mohammed. Pas vanaf Marwan I, de vader van Abd al-Malik, wordt Mohammed de centrale figuur zoals wij hem vandaag de dag kennen. Onder Marwan I en vooral zijn zoon Abd al-Malik wordt de Islam de religie die wij vandaag kennen met de profeet Mohammed en nadert de Koran pas een versie die wij vandaag enigszins zouden herkennen.

Textuele variantie: de aḥruf en qirāʾāt

a. Zeven aḥruf en diverse lezingen
  • De traditie van de “zeven aḥruf” – Allah openbaarde de Koran in zeven taalvarianten – wordt opgeworpen als verklaring voor verschillen in uitspraak of tekst in verschillende versies van de Koran.
  • Islamitische wetenschappers en geleerden erkennen echter dat deze aḥruf-theorie tekstueel onhoudbaar is. 

b. Canonisatie via Uthmān en daarna

  • Uthmān wilde uniformiteit, maar moest sommige varianten behouden in verschillende codices; hij verbood niet álle variatie.
  • Desondanks wist Hajjāj onder ʿAbd‑al‑Malik codices te verzamelen en vernietigen, hetgeen duidt op een lang proces tot canonieke normering.

Archeologische-manuscripten

Vroege Koran‑handschriften zoals de Ṣanʿā’ palimpsest, Codex Parisino‑petropolitanus en het Samarkand‑handschrift (ca. 7e‑9e eeuw) tonen:

  • Varianten voornamelijk in orthografie, soms zinvol maar methodisch verwijderd via canonisatie. Dat deze manuscripten en hun variaties bestaan, ondanks de acties van zowel Uthman als Abd al-Malik, toont aan hoe verspreid verschillen in de vroege Korans moeten zijn geweest.
  • Tekstkritische analyses (bv. Small, Donner, Shoemaker) stellen dat de definitieve standaard pas in ʿAbd‑al‑Malik’s tijd kon zijn gevormd .

De huidige Koran is pas iets meer dan 100 jaar oud

Hoewel moslims geloven dat de Koran sinds de 7e eeuw onveranderd is, werd de huidige, wereldwijd gebruikte Koranversie pas in 1924 officieel vastgesteld in Egypte onder leiding van al-Azhar Universiteit in Caïro.

Waarom was dit nodig?
  1. Meerdere “lezingen” (qirāʾāt):
    In de islamitische wereld circuleerden tientallen varianten van de Koran, met verschillen in spelling, uitspraak, soms zelfs betekenis. De belangrijkste zijn de 7 (of zelfs 10 en 14) “canonieke” lezingen. In het Ottomaanse rijk, India en Noord-Afrika werden verschillende versies gebruikt.
  2. Onderwijsproblemen:
    In Egyptische scholen ontstond verwarring onder leerlingen door de verschillende Koran-varianten bij het leren reciteren en schrijven.
  3. Oplossing:
    In 1924 besloot de Egyptische overheid één versie als standaard uit te geven voor gebruik in scholen: de Ḥafṣ-lezing via ‘Āṣim, met een vaste tekst, spelling en leeswijze. Deze versie is wat we nu wereldwijd kennen als “de Koran”.

Andere lezingen zijn sindsdien grotendeels verdwenen uit het dagelijks gebruik, behalve in sommige regio’s (bijv. Warsh-lezing in Marokko).

De Koran van Uthman?

Opvallend in dit alles is dat de Koran van Uthman niet bestaat. Er bestaat géén Koran die teruggaat tot Uthman. De vroegste Koran waarvan beweerd wordt dat dit de Koran van Uthman zou zijn (de Topkapi codex) dateert van veel later, waarschijnlijk uit de 8e eeuw. . 

Conclusie: De “éne onveranderde Koran” is in werkelijkheid het resultaat van een selectie en standaardisatieproces dat pas in de moderne tijd zijn beslag kreeg. Dat ondermijnt de mythe van absolute tekstuele onveranderlijkheid sinds Mohammed. Door de grote variatie in vroege Koran handschriften en de acties van Uthman en Abd al-Malik is niet meer terug te halen wat de oorspronkelijke openbaring zou zijn geweest zoals Mohammed die doorgaf aan de eerste moslims. Dit is een duidelijk contrast met de Bijbel. Ook de kende variaties in de tekst, net als de Koran. Die variaties waren echter zo klein dat het joden en christenen nooit heeft verontrust. Overigens, ze zouden ook nooit gedurfd hebben te doen met de Bijbel wat mannen als Uthman en Abd al-Malik wel met de Koran hebben gedaan. Helaas kunnen we nooit meer met zekerheid zeggen wat oorspronkelijk in de Koran zou hebben gestaan. 

We hebben in dit artikel nog niet gekeken naar het getuigenis van Johannes van Damascus, maar zijn getuigenis laat nog duidelijker zien dat het traditionele verhaal pas veel later is verzonnen. 

Scroll naar boven