De vraag of Mohammed, de profeet van de islam, werkelijk heeft bestaan is een onderwerp dat steeds meer aandacht krijgt binnen de historische wetenschap. Lange tijd werd het bestaan van Mohammed niet betwijfeld, maar ook niet onderzocht. Er leek een soort angst te bestaan om Mohammed langs dezelfde historische meetlat te leggen als Jezus. Voor het bestaan van Jezus zijn er zoveel argumenten dat tegenwoordig bijna niemand meer twijfelt aan zijn bestaan. Bij Mohammed ligt dat anders. De argumenten voor zijn bestaan zijn vaak zwak en flinterdun. Als we Mohammed langs dezelfde meetlat leggen als Jezus roept dit de vraag op: hoe zeker kunnen we eigenlijk zijn van het bestaan van Mohammed?
Gebrek aan tijdige, onafhankelijke bronnen
Voor Jezus bestaan meerdere buitenbijbelse, onafhankelijke bronnen uit de eerste eeuw na Christus, zoals Tacitus, Josephus en Plinius de Jongere. Deze bevestigen niet alleen zijn bestaan, maar plaatsen hem ook binnen een herkenbare historische context.
Voor Mohammed ligt dit anders. Er zijn nauwelijks contemporaine, niet-islamitische bronnen die direct naar hem verwijzen. De vroegste buiten islamitische vermelding komt van een Syrisch christelijke bron, het “Doctrina Jacobi” (rond 634), die spreekt over een Arabische profeet. Toch is deze verwijzing vaag en indirect, en plaatst ze Mohammed niet duidelijk in een historisch kader. Vroege Byzantijnse en Perzische bronnen uit de tijd van Mohammeds leven vermelden hem vrijwel niet, wat opvallend is gezien de opmars van het Arabische rijk in deze periode.
De biografie van Mohammed: pas eeuwen later opgeschreven
De belangrijkste biografische bron over Mohammed is de “Sira” van Ibn Ishaq, geschreven rond 760 n.Chr., dus meer dan 120 jaar na Mohammeds dood in 632. Bovendien is deze tekst alleen overgeleverd via een bewerking van Ibn Hisham (gestorven in 833), die naar eigen zeggen passages heeft verwijderd die hij als ongeloofwaardig beschouwde.
Dit tijdsverloop staat in schril contrast met de evangeliën en brieven van Paulus, die binnen decennia na Jezus’ dood zijn geschreven. Historisch gezien geldt: hoe korter de tijd tussen gebeurtenis en beschrijving, hoe betrouwbaarder het verslag. De vertraging in het optekenen van Mohammeds leven roept dus terecht vragen op.
- De vroegste bronnen over Jezus: Binnen 20 – 30 jaar na zijn dood
- De vroegste bronnen over Mohammed: 200 jaar na zijn dood
Ontbreken van ooggetuigenverslagen
De evangeliën claimen geschreven te zijn op basis van ooggetuigenverslagen. Paulus kende ooggetuigen van Jezus persoonlijk en verwees naar hen in zijn brieven. Dit geeft extra gewicht aan de vroeg-christelijke geschriften.
Bij Mohammed is dit niet het geval. Geen enkele tekst over zijn leven of daden is aantoonbaar geschreven door iemand die hem persoonlijk kende. De hadith-literatuur, waarin veel over Mohammeds leven wordt verteld, is pas in de 9e eeuw op schrift gesteld en baseert zich op mondelinge overleveringen die soms zes of zeven generaties teruggaan. Dit betekent dus dat ook de Hadith minimaal pas 200 jaar na Mohammed zijn opgeschreven.
De aard van de hadith-literatuur
De hadiths vormen samen met de Koran de basis voor de islamitische traditie. Ze beschrijven talloze aspecten van Mohammeds leven en karakter. Toch is hun historische betrouwbaarheid onderwerp van discussie. De hadiths zijn verzameld en gesorteerd op basis van de keten van overleveraars (isnad), niet op basis van inhoudelijke toetsing.
Moderne historici wijzen erop dat de criteria voor authenticiteit theologisch waren, en niet wetenschappelijk-historisch. Bovendien blijken veel hadiths te zijn ontstaan in contexten van theologische en politieke strijd, waarbij verschillende groepen hun standpunten trachtten te legitimeren met uitspraken van Mohammed. Hierdoor is het aannemelijk dat een groot deel van de overleveringen pas later is ontstaan.
Archeologische stilte over Mohammed in zijn eigen tijd
Voor Jezus bestaat er archeologische ondersteuning voor de wereld waarin hij leefde. Plaatsen zoals Nazareth, Kapernaüm en de synagoge waarin hij predikte zijn teruggevonden. Zelfs Pontius Pilatus is archeologisch bevestigd.
Voor Mohammed ontbreekt dit soort ondersteuning vrijwel volledig. Er is geen inscriptie, grafsteen, gebouw of andere archeologische vondst uit de vroege 7e eeuw die ondubbelzinnig naar hem verwijst. Zelfs in de stad Mekka, waar hij zou zijn geboren en gepreekt, is nauwelijks archeologisch bewijs uit die tijd gevonden.
Opvallend is dat delen van de Koran veronderstellen dat Mohammed interacties had met christenen en dat er veel christenen in Mekka en Medina woonden, alleen zijn daar geen historische bewijzen voor. Onderzoekers veronderstellen meer en meer dat veel van de Koran pas veel later is geschreven en dus niet teruggaat op een eventueel echt bestaande Mohammed.
Ontbreken van duidelijke contemporaine Arabische inscripties
De vroegste islamitische inscripties met verwijzingen naar Mohammed als profeet verschijnen pas decennia na zijn dood. De oudste munten en documenten van het Arabische rijk uit de periode vlak na 632 vermelden Mohammed niet of doen dat op een manier die dubbelzinnig is. Een opvallend voorbeeld daarvan zijn natuurlijk de inscirpties op de Rotskoepel, daarin is Jezus de hoofdpersoon en niet Mohammed.
Pas onder kalief Abd al-Malik (685–705) begint Mohammed prominenter te verschijnen op munten en in bouwinscripties. Sommige historici stellen dan ook dat het beeld van Mohammed als religieus leider pas in deze periode werd gecanoniseerd, en eerder politiek-institutioneel dan theologisch gemotiveerd was.
Politiek gebruik van Mohammeds figuur
Sommige onderzoekers, zoals Patricia Crone en Michael Cook, suggereren dat de figuur van Mohammed mogelijk is geconstrueerd of sterk is aangepast om de legitimiteit van het Arabische rijk te versterken. In de beginfase van de Arabische veroveringen was de islam als religie nauwelijks ontwikkeld. Het zou kunnen dat Mohammeds rol als profeet pas later theologisch is ingevuld, toen er behoefte ontstond aan een religieuze basis voor het kalifaat.
Deze theorie wordt ondersteund door het feit dat de vroege Arabische overheersers aanvankelijk tolerant waren voor christenen en joden en geen actieve bekering propageerden. Pas in de 8e eeuw ontstaat een duidelijke religieuze identiteit in het rijk, en daarmee ook een meer uitgewerkte profetische status voor Mohammed.
Gebrek aan consistentie in overleveringen
De islamitische traditie over Mohammed is buitengewoon uitgebreid, maar ook zeer tegenstrijdig. Verschillende bronnen geven uiteenlopende informatie over zijn geboortedatum, aantal vrouwen, openbaringen, en veldslagen. Zelfs de chronologie van zijn leven verschilt per bron.
Deze tegenstrijdigheden doen vermoeden dat de traditie niet voortkomt uit een uniforme, goed bewaarde herinnering, maar eerder uit het geleidelijk samenkomen van uiteenlopende verhalen, die door verschillende groepen werden gebruikt om hun eigen geloofsopvattingen te onderbouwen.
Geen bevestiging van Mohammed in de vroegste christelijke polemieken
Een opvallend punt is dat vroege christelijke polemieken tegen de islam vaak meer gericht zijn op de Koran dan op Mohammed. In veel gevallen wordt Mohammed nauwelijks genoemd, of alleen als vage profeetfiguur. Als Mohammed al wordt besproken, dan gebeurt dat op basis van informatie uit de islamitische traditie zelf, niet uit onafhankelijke observatie. Dit zwakt het argument dat Mohammed algemeen bekend stond als een historische figuur in zijn eigen tijd aanzienlijk af.
Het is niet met zekerheid te zeggen dat Mohammed niet heeft bestaan, maar de historische onderbouwing voor zijn bestaan is aanmerkelijk zwakker dan die voor figuren zoals Jezus van Nazareth. Waar de historische Jezus bevestigd wordt door vroege, onafhankelijke, vijandige en archeologisch ondersteunde bronnen, ontbreekt dat allemaal voor Mohammed.
De islamitische traditie is rijk, maar grotendeels gebaseerd op overlevering, geloof en latere redactie. De kloof tussen de historische en de religieuze Mohammed is breed. Voor wie de vraag stelt of Mohammed werkelijk heeft bestaan, is het antwoord: waarschijnlijk wel, maar we weten eigenlijk niets over hem.
Wie het bestaan van Jezus ontkent, gaat daarmee in tegen een berg aan vroege en externe getuigenissen. Wie het bestaan van Mohammed ter discussie stelt, begeeft zich op terrein dat weliswaar gevoelig ligt, maar waarin de historische bewijslast aanzienlijk minder overtuigend is.
