Een van de meest opvallende en vaak onderbelichte voorvallen in de geschiedenis van de islam is de vernietiging van de verschillende Koran versies door kalief Uthman ibn Affan, de derde kalief van de islam (regeerperiode: 644–656 n.Chr.). Terwijl moslims vandaag vaak stellen dat de Koran “onveranderd” en “perfect bewaard” is sinds de openbaring aan Mohammed, roept deze ingreep van Uthman ernstige vragen op. Waarom moest een goddelijke openbaring worden gecorrigeerd en gestandaardiseerd? Waarom was het nodig om andere versies te verbranden? En welke verschillen zaten er in die vroege Koran versies die blijkbaar zo verontrustend waren dat men ze liever vernietigden?
De context van Uthmans ingreep: een verdeelde openbaring
Na de dood van Mohammed in 632 n.Chr. verspreidde de islam zich razendsnel buiten het Arabisch schiereiland: naar Syrië, Irak, Egypte en Perzië. Met deze expansie groeide ook de diversiteit onder moslims: zij kwamen uit verschillende stammen, dialectgroepen en onderwijs achtergronden. In de afwezigheid van een officiële gecanoniseerde tekst bleken verschillende metgezellen van Mohammed (sahaba) eigen verzamelingen en recitaties van de Koran te onderwijzen in hun regio’s.
Bekende metgezellen zoals Ibn Mas‘ūd (in Kufa), Ubayy ibn Ka’b (in Damascus), Abu Musa al-Ash‘ari (in Basra) en Ali ibn Abi Talib (in Medina) hadden eigen versies van de Koran, vaak op basis van wat zij zich herinnerden, opgeschreven of geleerd hadden. Deze versies verschilden soms in woordgebruik, grammaticale vormen, volgorde van verzen, en zelfs in het aantal hoofdstukken (soera’s). Zo had de codex van Ibn Mas‘ūd volgens islamitische bronnen geen soera’s 1, 113 en 114 – terwijl de codex van Ubayy juist enkele extra soera’s bevatte die in de latere canon zijn weggelaten.
Deze situatie leidde tot grote verwarring en conflicten. Tijdens militaire campagnes merkten moslims uit verschillende regio’s dat hun recitaties van de Koran verschilden – en ze beschuldigden elkaar ervan foutieve versies te hanteren. Volgens de overlevering uit Sahih al-Bukhari kwam de generaal Hudhayfah ibn al-Yaman bij Uthman met een dringende waarschuwing: “O Kalief, red deze ummah (gemeenschap) voordat zij over de Koran verdeeld raakt zoals de Joden en Christenen dat zijn over hun Schrift.”
Uthmans beslissing: één tekst, vele vuren
In reactie op deze dreiging gaf Uthman opdracht tot het samenstellen van één officiële Koran versie. Hij liet Hafsa’s codex (de weduwe van de profeet en dochter van kalief Umar) tijdelijk naar zich brengen, en stelde een commissie samen onder leiding van Zayd ibn Thabit – een secretaris van Mohammed – om een standaardtekst op te stellen in het dialect van de Quraysh (de stam van Mohammed).
Nadat deze ‘officiële’ versie voltooid was, zond Uthman kopieën uit naar de grote islamitische steden (Basra, Kufa, Damascus, enzovoorts), met het bevel: “Als iemand een andere versie bezit, vernietig die.” Alle bestaande manuscripten en persoonlijke codices die afweken van de Uthmanische tekst werden letterlijk verbrand of gewassen in water. De bedoeling was: één tekst, zonder afwijkingen, zonder ruimte voor interpretatieverschillen.
Waarom was Uthman zo bezorgd?
De drijfveren van Uthman kunnen vanuit verschillende invalshoeken bekeken worden:
Eenheid bewaren door uniformiteit
Uthman was politiek verantwoordelijk voor het bijeenhouden van een snelgroeiende, multiculturele islamitische gemeenschap. Tekstvariaties, vooral als ze leerstellige verschillen of autoriteitsconflicten opriepen, konden leiden tot verdeeldheid. Vanuit zijn perspectief was het beter één tekst op te leggen dan meerdere legitieme versies naast elkaar te laten bestaan.
Toch is dat problematisch. In het christendom zijn tekstvarianten niet beschouwd als gevaarlijk of bedreigend, maar als waardevolle gegevens die helpen om de oorspronkelijke tekst te reconstrueren. Zo worden de Dode Zeerollen, hele oude geschriften, niet vernietigd, maar onderzocht en bewaard. Dat Uthman koos voor vernietiging boven transparantie wijst op een angst dat de veelheid aan tradities de zuiverheid van de boodschap zou ondermijnen – wat juist de betrouwbaarheid ervan in twijfel trekt.
De afwezigheid van een complete, originele codex
Er was in de vroege islam geen originele “boekvorm” van de Koran zoals wij die nu kennen. De openbaringen waren verspreid over verschillende gelegenheden, opgeschreven op schouderbladen van dieren, leerstukken, stenen en palmbladeren. Veel kennis van de Koran was mondeling – en dat maakte het mogelijk dat verschillende metgezellen andere verzen en lezingen kenden. Uthmans paniek zou daarom niet alleen politiek zijn geweest, maar ook voortkomen uit de reële vrees dat de ware woorden van Mohammed verloren konden gaan door verwarring en vermenging.
Toch is dit ook theologisch problematisch: als de Koran werkelijk door Allah bewaard zou blijven, zoals soera 15:9 stelt (“Wij hebben de Vermaning neergezonden, en Wij zullen haar zeker bewaren”), waarom was dan menselijke tussenkomst nodig om dit behoud te garanderen?
De inhoudelijke verschillen waren reëel
Het is duidelijk uit de bronnen dat de verschillen tussen de versies van de metgezellen niet slechts gingen over uitspraak of grammatica, maar ook over hele verzen en zelfs hoofdstukken. De reeds genoemde Ibn Mas‘ūd weigerde bijvoorbeeld de opname van soera 1, die volgens hem geen deel uitmaakte van de oorspronkelijke openbaring. Ook zijn er verwijzingen naar verzen die verdwenen zijn of werden vervangen (naskh). Als zulke verschillen bestonden, is het begrijpelijk waarom Uthman ze wilde elimineren – maar het is duidelijk dat we dan niet kunnen spreken van één onveranderde, door God geopenbaarde tekst.
Wat zijn de implicaties?
Vanuit christelijk perspectief is er weinig bezwaar tegen het bestaan van tekstvarianten – integendeel, die helpen juist om via tekstkritiek de betrouwbaarheid van de Bijbel te versterken. In het Nieuwe Testament beschikken we over duizenden manuscripten uit verschillende periodes en regio’s, die onderzoekers in staat stellen om tot een goed onderbouwde tekst te komen. Er is geen sprake van een centrale autoriteit die bepaalde versies verbrandt of onderdrukt.
De islamitische aanpak onder Uthman lijkt meer op een top-down standaardisatie: niet het bewaren van de geschiedenis, maar het controleren van de geschiedenis. Het is niet moeilijk om parallellen te zien met politieke regimes die archieven vernietigen om een gewenst narratief te vestigen. Dat is niet wat men zou verwachten van een religie die beweert dat haar heilige boek letterlijk woord voor woord door God is beschermd.
Eenheid boven waarheid?
Kalief Uthman vernietigde de verschillende versies van de Koran niet omdat ze vals waren, maar omdat ze verschilden. Zijn motivatie was begrijpelijk binnen het kader van politieke stabiliteit en religieuze eenheid. Maar juist dat feit ondermijnt de islamitische claim dat de Koran perfect en onveranderd is doorgegeven. In werkelijkheid was er variatie, twijfel, concurrentie tussen teksten – en uiteindelijk machtsuitoefening om die verschillen uit te wissen.
De Koran is niet uit de hemel gevallen in zijn huidige vorm, maar is het resultaat van menselijke selectie, redactie en controle. En dat is precies wat islamitische apologeten christenen vaak verwijten over de Bijbel. Alleen is bij de Bijbel het “bewijs” om zo te zeggen, niet vernietigd omdat christenen (en Joden) niets hebben om te vrezen.
Wie dus zegt dat de Koran vanaf het eerste moment onveranderd is gebleven, spreekt eerder een geloofsbelijdenis dan een historische waarheid. Uthman wist dat. En daarom stak hij de alternatieven in brand.
