De term christenen vindt zijn oorsprong in het Nieuwe Testament van de Bijbel. In Handelingen 11:26 lezen we:
“…en het gebeurde dat zij een heel jaar lang samenkwamen in de gemeente en een grote menigte onderwezen. En dat de discipelen het eerst in Antiochië christenen genoemd werden.” (HSV)
De naam werd voor het eerst gebruikt in de stad Antiochië (gelegen in het huidige Turkije) rond het jaar 40-44 n.Chr., ongeveer een decennium na de dood en opstanding van Jezus. Belangrijk is dat de naam niet door de volgelingen van Jezus zelf werd bedacht, maar hen waarschijnlijk werd gegeven door buitenstaanders – mogelijk als spotnaam of om hen te onderscheiden van andere Joodse groeperingen.
Het woord christen komt van het Griekse christianos (χριστιανός), wat betekent: “aanhanger van Christus” of “behorend tot Christus”. Het is afgeleid van Christos (Χριστός), de Griekse vertaling van het Hebreeuwse Messias, wat “gezalfde” betekent.
Dus letterlijk betekent christen: iemand die toebehoort aan de Gezalfde, of: een volgeling van de Messias.
Andere benamingen voor volgelingen van Jezus
Door de geschiedenis heen zijn er meerdere namen geweest voor mensen die Jezus volgen. Sommige daarvan komen uit de Bijbel, andere uit de kerkgeschiedenis of volksgebruik. Hieronder volgen de belangrijkste:
1. Discipelen
In het Nieuwe Testament worden de volgelingen van Jezus vaak discipelen genoemd (Grieks: mathētēs, μαθητής), wat “leerling” of “volgeling” betekent. Dit benadrukt hun rol als mensen die leren van Jezus.
“En Hij riep Zijn twaalf discipelen bij Zich…” (Mattheüs 10:1)
2. Broeders en zusters
Christenen zagen zichzelf als leden van één geestelijke familie. Ze spraken elkaar daarom aan als broeder en zuster, een benaming die nog steeds wordt gebruikt in veel kerken.
“Broeders, als iemand door een overtreding overvallen wordt…” (Galaten 6:1)
3. Heiligen
In veel brieven van Paulus worden de volgelingen van Jezus aangesproken als heiligen (Grieks: hagios, ἅγιος), wat “afgezonderden” of “toegewijden aan God” betekent.
“Aan de heiligen in Efeze en gelovigen in Christus Jezus.” (Efeziërs 1:1)
4. Volgelingen van de Weg
Vóórdat het woord christenen ingeburgerd raakte, verwees men vaak naar de beweging als de Weg (Grieks: hodos, ὁδός). Dit drukt uit dat het christelijke geloof een manier van leven is.
“Hij vroeg hem brieven voor de synagogen in Damascus, opdat hij, als hij mannen of vrouwen zou vinden die van de Weg waren, hen geboeid zou brengen naar Jeruzalem.” (Handelingen 9:2)
5. Nazarenen
In sommige Joodse contexten werden Jezus’ volgelingen aangeduid als Nazarenen, omdat Jezus uit Nazareth kwam.
“Want wij hebben gemerkt dat deze man een pest is, iemand die onrust stookt onder alle Joden in de wereld en een aanvoerder is van de sekte van de Nazarenen.” (Handelingen 24:5)
Waarom vinden christenen deze naam passend?
Hoewel de naam christenen aanvankelijk van buitenaf kwam, omarmden de gelovigen hem vrij snel. Dat komt door de diepe betekenis ervan:
1. Het duidt op toebehoren aan Christus
De kern van het christelijk geloof is dat Jezus niet alleen een leraar of profeet is, maar de Zoon van God en Redder van de wereld. De naam christen drukt deze toewijding en relatie uit: men is niet slechts een aanhanger van een leer, maar een volgeling van Christus.
2. Het erkent Jezus als de Messias
Door zichzelf christenen te noemen, getuigen gelovigen van hun overtuiging dat Jezus de vervulling is van de Oudtestamentische beloften over de Gezalfde. Dit heeft ook een theologische functie in de vroege kerk om zich te onderscheiden van het jodendom, dat deze claim afwees.
3. Het drukt identiteit uit
In een wereld met vele religies, culten en filosofieën gaf de naam christen een duidelijke groepsidentiteit. Zelfs onder vervolging hield men eraan vast, zoals blijkt uit de woorden van Petrus:
“Maar als iemand als christen lijdt, laat hij zich daarvoor niet schamen, maar God in dat opzicht verheerlijken.” (1 Petrus 4:16)
De naam christen is ontstaan in de eerste eeuw in Antiochië als aanduiding voor mensen die Jezus van Nazareth volgden en verkondigen als de Messias. Hoewel het woord vermoedelijk oorspronkelijk uit de mond van buitenstaanders kwam – misschien zelfs als spotnaam – heeft de kerk deze aanduiding omarmd vanwege haar diepe geestelijke betekenis. Het duidt op verbondenheid met Christus en bevestigt zijn status als de Gezalfde.
