Volgens christenen is Jezus Christus het middelpunt van Gods reddingsplan: wie in Hem gelooft, wordt gered. Maar wat dan met de miljarden mensen die leefden vóór zijn komst? Zijn zij allemaal verloren gegaan? Wat gebeurde er met profeten zoals Abraham, Mozes of David?
De centrale rol van Jezus in het christelijk geloof
Voor christenen is Jezus de Zoon van God en de Verlosser van de wereld. Zij geloven dat door zijn kruisdood en opstanding de weg tot God voor mensen open is gegaan. Zijn offer wordt gezien als een daad van verzoening – een brug tussen een heilig God en zondige mensen.
Zoals de apostel Petrus het zegt:
“Christus is eenmaal om de zonden gestorven als rechtvaardige voor onrechtvaardigen, opdat Hij u tot God zou brengen.” (1 Petrus 3:18)
Deze uitspraak vormt de kern van het christelijk geloof. Maar het roept ook vragen op: als mensen alleen door Jezus gered kunnen worden, wat gebeurt er dan met degenen die Hem nooit hebben gekend, bijvoorbeeld omdat ze eeuwen vóór zijn geboorte leefden?
Geloven christenen dat al deze mensen naar de hel zijn gegaan?
Het korte antwoord is: nee. Christenen geloven niet dat iedereen die vóór Jezus leefde automatisch veroordeeld is. De Bijbel leert dat er mensen zijn die – ook vóór de komst van Jezus – in geloof leefden en uitkeken naar de komst van de Messias, Jezus.
Een belangrijk vers komt uit de mond van Jezus zelf, nadat Hij uit de dood was opgestaan. In Lucas 24:27 staat:
“En Hij begon bij Mozes en bij al de profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had.”
Hier maakt Jezus duidelijk dat het Oude Testament – dat wil zeggen, de heilige geschriften van vóór zijn komst – al naar Hem verwees. De mensen die daarin geloofden en daarin hun hoop op God stelden, hadden dus in zekere zin al geloof in de Messias. Zelfs al kenden ze zijn naam nog niet, ze vertrouwden op Gods belofte van redding.
De verwachting van de Messias
In het jodendom van vóór Jezus leefde sterk het geloof dat God op een dag een Messias zou zenden – een Verlosser, een gezalfde koning die zonden zou wegnemen en Gods rijk zou vestigen. Vele profeten spraken hierover, zoals Jesaja (Jesaja 53), Micha (Micha 5:1), en zelfs Mozes (Deuteronomium 18:15).
Volgens christenen zijn deze profetieën allemaal vervuld in Jezus. Mensen die vóór zijn komst op God vertrouwden en Zijn beloften geloofden, hadden daarmee in zekere zin ook al geloof in Jezus – ook al was Hij nog niet gekomen.
Dit principe wordt prachtig verwoord in de brief aan de Hebreeën:
“Door het geloof zijn [de oudtestamentische gelovigen] gestorven, zonder de vervulling van de beloften te hebben verkregen, maar zij hebben die uit de verte gezien en begroet.” (Hebreeën 11:13)
Christenen geloven iets vergelijkbaars: Abraham, Mozes, David en andere profeten volgden God oprecht. Zij hadden vertrouwen in Gods beloften, ook als ze die nog niet volledig zagen. In dat vertrouwen – wat de Bijbel geloof noemt – werden zij als rechtvaardig beschouwd (Genesis 15:6). Ze waren gerechtvaardigd door hun vertrouwen in Gods toekomstige verlossing, die christenen nu herkennen als Jezus Christus.
Wat gebeurde er na Jezus’ dood?
Een bijzondere tekst in het Nieuwe Testament geeft nog een extra dimensie aan dit onderwerp. In 1 Petrus 3:18-19 staat:
“[Christus] is gestorven […] en is levend gemaakt naar de geest, in welke Hij ook heengegaan is en gepredikt heeft aan de geesten in de gevangenis.”
En even later, in 1 Petrus 4:6:
“Want daartoe is ook aan doden het evangelie gebracht, opdat zij […] naar God, wat de geest betreft, zouden leven.”
Deze teksten worden door veel christenen zo geïnterpreteerd dat Jezus – na zijn dood en vóór zijn opstanding – het goede nieuws (evangelie) heeft verkondigd aan mensen die al gestorven waren. Daarmee kregen ook zij de kans om te reageren op Gods verlossingsplan.
Geloof en redding vóór Jezus
De bekende christelijke denker Augustinus (354–430) schreef dat er één weg tot redding is – namelijk Jezus Christus – maar dat die weg ook openstond voor de mensen vóór zijn komst, door geloof in wat God had geopenbaard.
De reformator Johannes Calvijn (1509–1564) was het daarmee eens. Hij stelde dat de oude gelovigen niet werden gered door werken of wet, maar net als wij door geloof in Gods beloften – ook al was de vervulling daarvan voor hen nog toekomstmuziek.
In Hebreeën 11 wordt een indrukwekkende lijst gegeven van mensen uit het Oude Testament die leefden door geloof. Denk aan Noach, Abraham, Mozes, Ruth, en Samuel. Ze vertrouwden op God, volgden Zijn weg en zagen uit naar iets beters – “een hemels vaderland” (Hebreeën 11:16).
Zij worden in het Nieuwe Testament niet veroordeeld, maar juist geëerd als voorbeelden van geloof.
